Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV2470

Datum uitspraak2006-02-22
Datum gepubliceerd2006-02-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers0300485
Statusgepubliceerd


Indicatie

Reinders verwijt Casemier dat deze de aannemer HBC heeft "voorgesorteerd". Daarmee wil Reinders wil zeggen dat Casemier ten onrechte enkel en alleen voor HBC heeft gekozen, waardoor zij, Reinders, ook op geen enkele wijze verifieerbaar heeft kunnen controleren of en in hoeverre de prijs waarvoor HBC de opdracht heeft verkregen, daadwerkelijk de laagst haalbare prijs was.


Uitspraak

Arrest d.d. 22 februari 2006 Rolnummer 0300485 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: Reinders Vastgoed B.V., gevestigd te Groningen, appellante, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, hierna te noemen: Reinders, procureur: mr J.V. van Ophem, tegen Casemier Bouwmanagement B.V., gevestigd te Assen, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna te noemen: Casemier, procureur: mr J.P. de Wilde. De inhoud van het tussenarrest d.d. 20 april 2005 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop Ingevolge 's hofs tussenarrest van 20 april 2005 heeft Reinders een akte genomen, waarop door Casemier met een akte is gereageerd. Ten slotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest. De verdere beoordeling 1. Ter voldoening aan het gestelde in het tussenarrest van 20 april 2005 heeft Reinders een akte genomen. Daarin heeft zij aangegeven dat en waarom volgens haar Casemier ten aanzien van de aanbesteding is tekort geschoten en voorts dat en in hoeverre Casemier in haar informerende, controlerende en coördinerende taak ten aanzien van het dak, de kozijnen en de nutsvoorzieningen/-meterkast tekort is geschoten. Reinders biedt op de verschillende onderdelen bewijs van haar stellingen aan door het horen van de in de akte genoemde getuigen. Met betrekking tot de ten gevolge van de tekortkoming van Casemier door haar geleden schade heeft Reinders aangevoerd dat en waarom zij tot exacte specificatie daarvan (nog) niet kan overgaan en dat zij om die reden verwijzing naar de schadestaatprocedure wenst. Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van schade in het algemeen 2. Reinders heeft aangevoerd dat zij niet in staat is de door haar ter zake geleden schade exact te specificeren omdat deze afhankelijk zal zijn van het uiteindelijke oordeel van het hof omtrent de punten waarvoor Casemier aansprakelijk is. Om die reden vordert Reinders verwijzing naar de schadestaatprocedure. 2.1. Dit betoog kan niet gevolgd worden. Als Reinders als gevolg van tekortschieten van Casemier al schade zou hebben geleden, dan ligt het op haar weg die schade minst genomen tot op zekere hoogte aannemelijk te maken om verwijzing naar de schadestaatprocedure te kunnen rechtvaardigen. Dat wordt niet anders indien het hof tot het oordeel zou komen dat Casemier op enig punt tekort is geschoten. Met betrekking tot de aanbesteding 3. Reinders verwijt Casemier dat deze de aannemer HBC heeft "voorgesorteerd". Daarmee wil Reinders wil zeggen dat Casemier ten onrechte enkel en alleen voor HBC heeft gekozen, waardoor zij, Reinders, ook op geen enkele wijze verifieerbaar heeft kunnen controleren of en in hoeverre de prijs waarvoor HBC de opdracht heeft verkregen, daadwerkelijk de laagst haalbare prijs was. 3.1. Casemier heeft als productie E bij memorie van antwoord overgelegd haar faxbericht d.d. 30 november 2000 aan Reinders. Casemier vermeldt daarin: "De wijzigingen van de gevels nemen we dan wel met de goedkoopste door. Anders verliezen we 2 weken. Ik ga er vanuit dat jij accoord bent." Volgens Casemier heeft Reinders op dat faxbericht niet gereageerd, waaruit zij heeft afgeleid dat Reinders er ook mee akkoord ging dat met de laagste inschrijver zou worden dooronderhandeld. 3.2. Reinders is hierop in haar akte niet meer ingegaan, zodat het hof er vanuit gaat dat de lezing van Casemier voor juist moet worden gehouden. 3.3. Voor zover Reinders nog heeft aangevoerd dat [de aannemer] de nota's van inlichtingen niet in zijn offerte heeft verwerkt, zodat van een verhoging van de inschrijvingsprijzen geen sprake kan zijn geweest, mist dit betoog feitelijke grondslag. In de inschrijving van [de aannemer] d.d. 8 december 2000 (door Casemier overgelegd als productie 13 bij conclusie van antwoord in reconventie) worden onder punt d. immers ook de nog te verstrekken nota's van inlichtingen en wijzigingen genoemd. [de aannemer] heeft, anders dan Reinders kennelijk meent, deze nota's derhalve bij zijn inschrijving betrokken, want hij heeft geen enkel voorbehoud gemaakt bij de prijsstelling. 3.4. Casemier heeft in de memorie van antwoord (punt 28) gespecificeerd aangegeven waarom de offerte van HBC d.d. 17 april 2001 op een hoger bedrag uitkwam dan diens aanvankelijke aanbieding van 8 december 2000. Reinders is daarop in haar akte niet ingegaan. Zij wijst er slechts op dat er een volgens haar onverklaarbaar verschil bestaat tussen de herziene aanbieding van HBC d.d. maart 2001 en diens uiteindelijke offerte van 17 april 2001. Het hof gaat hieraan voorbij omdat de genoemde herziene aanbieding d.d. maart 2001 niet het onderwerp van geschil uitmaakt, doch slechts de uiteindelijke offerte. Het hof acht de juistheid van het betoog van Casemier met betrekking tot de hoogte van de offerte van HBC d.d. 17 april 2001, bij gebreke van voldoende weerlegging daarvan door Reinders, voldoende aangetoond. 3.5. Dit alles leidt tot het oordeel dat Reinders, bezien in het licht van hetgeen Casemier op de relevante punten heeft aangevoerd en gelet op de inhoud van de ter zake overgelegde producties, haar stellingen met betrekking tot de aan Casemier verweten tekortkoming bij de aanbesteding van het werk onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Daarom is er voor bewijslevering geen plaats. 3.6. De vraag of en in hoeverre Reinders als gevolg van de aanbestedingsprocedure schade heeft geleden, wat daarvan overigens zij, behoeft derhalve geen bespreking meer. Met betrekking tot het dak 4. Reinders heeft in dit verband gesteld dat Casemier is tekortgeschoten in zijn toezichthoudende en controlerende taak, als gevolg waarvan problemen zijn gerezen met betrekking tot de hemelwaterafvoeren ter plaatse van de lichtstraten. Concreet wordt Casemier verweten niet te hebben gecontroleerd of de noodzakelijke noodafvoeren werden aangebracht. 4.1. In haar akte na tussenarrest heeft Reinders een en ander weliswaar nader toegelicht, doch daaruit valt niet af te leiden welke schade Reinders als gevolg van dit beweerd tekortschieten door Casemier zou hebben geleden. 4.2. Dit klemt te meer nu Reinders bij memorie van grieven als productie 9 heeft overgelegd een aan haar geadresseerde brief van Verbi-Dak, gedateerd 10 maart 2004, waaruit blijkt dat er 8 stuks extra noodoverstorten zijn aangebracht, maar dat deze niet zijn gefactureerd. 4.3. Zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat Casemier ter zake een verwijt treft, hetgeen zij overigens gemotiveerd heeft betwist, kan dit derhalve niet leiden tot het door Reinders beoogde doel, omdat niet aannemelijk is geworden dat Reinders op dit punt schade heeft geleden. Met betrekking tot de kozijnen 5. HBC heeft, zoals blijkt uit haar aan Reinders gerichte schrijven d.d. 11 maart 2004 (overgelegd bij productie 6 bij memorie van grieven), erkend een fout te hebben gemaakt met betrekking tot de kozijnen. Weliswaar wijt HBC dit aan het niet op elkaar afgestemd zijn van de tekeningen van de diverse onderdelen en aan onvoldoende coördinatie op dit punt, doch dit doet er niet aan af dat zij zich aansprakelijk acht voor het herstel van de fout. 5.1. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is door Reinders derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het gebrek aan de kozijnen schade heeft geleden, waarvoor Casemier jegens haar aansprakelijk is. 5.2. De vraag naar de mate van tekortschieten door Casemier op dit punt kan derhalve, als voor de beoordeling van het geschilpunt onvoldoende relevant, onbeantwoord blijven. Met betrekking tot de nutsvoorzieningen/meterkast 6. Weliswaar heeft Reinders op dit punt gesteld dat er sprake was van gebrek aan coördinatie en toezicht van de zijde van Casemier, doch een concrete onderbouwing van dat gebrek ontbreekt. Reinders verwijst naar de inhoud van de aan haar gerichte brieven van HBC d.d. 11 februari 2004 en 11 maart 2004 (over-gelegd bij productie 6 bij memorie van grieven), doch wat Casemier nu precies wordt verweten en wat er nog moest gebeuren om de gebreken op te heffen, blijkt niet uit die brieven. Er wordt slechts in algemene termen gewezen op hetgeen volgens HBC door Casemier met betrekking tot de voorzieningen voor de meterkast had moeten worden gedaan. 6.1. Bovendien geldt ook hier dat Reinders op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat, en tot welk bedrag zij ter zake van dit onderdeel schade zou hebben geleden. Reinders heeft in haar akte na tussenarrest op dit punt weliswaar een bewijsaanbod gedaan, doch dit is zo weinig specifiek, dat het hof daaraan voorbijgaat. Slotsom 7. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de grieven 5 en 6 tevergeefs zijn voorgedragen. In 's hofs tussenarrest van 20 april 2005 is reeds geoordeeld dat de grieven 1 t/m 4 falen. Grief 7, ten slotte, mist zelfstandige betekenis en daaraan zal dan ook worden voorbijgegaan. 7.1. De slotsom van dit alles is dat het vonnis van 4 juni 2003 waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Reinders zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (11/2 procespunten, volgens tarief II). De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt het vonnis van 4 juni 2003 waarvan beroep; veroordeelt Reinders in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Casemier op euro 328,-- aan verschotten en op euro 1.341,-- aan salaris voor de procureur. Aldus gewezen door mrs Makkinga, voorzitter, Verschuur en Janse, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van Bilstra als griffier, ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag, 22 februari 2006.